| Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de
Orde van Oranje-Nassau Besluit van 10 mei 1995, houdende nadere regels met
betrekking tot de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau (Stb. 264),
zoals dit luidt na de wijzigingen aangebracht bij het Besluit van 5 februari 1996, Stb. 89
en bij het Besluit van 24 december 1999, Stb. 2000, 12.
HOOFDSTUK I
Verleningscriteria
Artikel 1
- De Orde van de Nederlandse Leeuw strekt tot onderscheiding van personen wegens
bijzondere verdiensten van zeer exceptionele aard jegens de samenleving.
- Van verdiensten zoals bedoeld in het eerste lid is sprake, indien:
- iemand een verantwoordelijkheid heeft gedragen of een bekwaamheid heeft getoond
die aanmerkelijk groter is dan de samenleving van hem mocht verwachten;
- iemand op uitstekende wijze werkzaamheden heeft verricht waarbij de samenleving
in zeer belangrijke mate is gebaat, en in het bijzonder indien de maatschappelijke
waardering daarvoor niet op andere wijze tot uitdrukking is gekomen of
- iemand alleen of samen met anderen, al dan niet in opdracht, een zeer
uitzonderlijke prestatie heeft verricht.
Artikel 2
- De Orde van Oranje-Nassau strekt tot onderscheiding van personen wegens bijzondere
verdiensten jegens de samenleving.
- Van verdiensten als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien:
- iemand zich geruime tijd ten bate van de samenleving heeft ingespannen of
anderen heeft gestimuleerd;
- iemand een of meer opvallende prestaties heeft geleverd of werkzaamheden heeft
verricht die voor de samenleving een bijzondere waarde hebben.
- Bij de vaststelling van de bijzondere verdiensten, bedoeld in het tweede lid, kan in
aanmerking worden genomen dat iemand geruime tijd werkzaamheden heeft verricht op een
wijze die betrokkene onderscheidt van anderen en die getuigt van een karaktervolle en
voorbeeldige plichtsvervulling.
HOOFDSTUK II
Onderscheidingstekens
Paragraaf 1. De onderscheidingstekens van de Orde van de Nederlandse Leeuw
Artikel 3
In de artikelen 4 en 5 worden onder versiersel en lint verstaan het versiersel en het
lint, zoals omschreven in artikel 7 van de wet van 29 september 1815, houdende instelling
van de Orde van de Nederlandse Leeuw (Stb. 1994, 352).
Artikel 4
De uit te reiken onderscheidingstekens zijn voor de onderscheiden graden van:
- Ridder Grootkruis:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 60 millimeter,
hangende aan het lint, opgemaakt in de vorm van een sjerp, die wordt gedragen van de
rechterschouder naar de linker heup. Het lint voor mannen is 101 millimeter en voor
vrouwen 68 millimeter breed;
2. de ster, bestaande uit het versiersel zonder kroon met een diameter van 73 millimeter,
bevestigd op een achtpuntige, uit achtenveertig stralen bestaande, licht bolvormige gouden
ster met een diameter van 85 millimeter. De stralen van de ster zijn om en om geschubd en
alle aan de uiteinden geknopt. De ster wordt direct boven het middel gedragen op de
linkerzijde van de kleding. De ster en het onder 1 bedoelde onderscheidingsteken worden
uitsluitend tezamen gedragen;
3. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint waarachter een balk van
goudgalon is bevestigd. Het geheel is bevestigd op een strik. Het draagteken wordt
gedragen in plaats van de onder 1 en 2 genoemde onderscheidingstekens.
- Commandeur:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 60 millimeter, hangende aan het
lint, dat door mannen om de hals en door vrouwen opgemaakt in de vorm van een strik op
borsthoogte op de linkerzijde van de kleding wordt gedragen. Het lint is voor mannen 55
millimeter en voor vrouwen 37 millimeter breed;
2. de ster, bestaande uit het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 79
millimeter, dat direct boven het middel wordt gedragen op de linkerzijde van de kleding.
De ster en het onder 1 bedoelde onderscheidingsteken worden uitsluitend tezamen gedragen;
3. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint, waarachter een balk van
zilvergalon is bevestigd. Het geheel is bevestigd op een strik. Het draagteken wordt
gedragen in plaats van de onder 1 en 2 genoemde onderscheidingstekens.
- Ridder:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 46 millimeter,
hangende aan het lint, dat op borsthoogte wordt gedragen op de linkerzijde van de kleding.
Het lint voor mannen is 37 millimeter breed. Het lint voor vrouwen is 27 millimeter breed
en is opgemaakt in de vorm van een strik;
2. het draagteken, opgemaakt in de vorm van een strik. Het wordt gedragen in plaats van
het onder 1 genoemde onderscheidingsteken.
Artikel 5
- De in artikel 4 genoemde versierselen met lint kunnen in een verkleinde vorm worden
gedragen in plaats van de in artikel 4 genoemde onderscheidingstekens.
- Leden van de Orde die een uniform dragen kunnen het draagteken in de vorm van een bāton
van 27 bij 11 millimeter dragen. Indien de graad van Ridder Grootkruis of Commandeur is
verleend, wordt op de bāton een rozet met daarachter een balk als bedoeld in artikel 4,
respectievelijk onderdeel a, onder 3, en onderdeel b, onder 3, bevestigd.
Paragraaf 2. De onderscheidingstekens van de Orde van Oranje-Nassau
Artikel 6
In de artikelen 7 en 8 worden onder versiersel en lint verstaan het versiersel en het
lint, zoals omschreven in artikel 7 van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van
de Orde van Oranje-Nassau (Stb. 1994, 351).
Artikel 7
De uit te reiken onderscheidingstekens zijn voor de onderscheiden graden van:
- Ridder Grootkruis:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 60 millimeter,
hangende aan het lint, opgemaakt in de vorm van een sjerp, die wordt gedragen van de
rechterschouder naar de linkerheup. Het lint voor mannen is 101 mm breed en voor vrouwen
68 millimeter breed;
2. de ster bestaande uit een blauw geėmailleerd rond schild, omgeven door een wit
geėmailleerde rand, beide met goud omlijst met een diameter van 48 millimeter, bevestigd
op een achtpuntige, uit achtenveertig stralen bestaande zilveren ster met een diameter van
85 millimeter. Op het schild staan afgebeeld de Leeuw en het omschrift, zoals omschreven
in artikel 7, eerste lid, van de wet. Op de witte rand is aan de onderzijde een
laurierkrans aangebracht. Voor militairen bevinden zich achter het schild twee schuin
gekruiste zwaarden, zoals omschreven in artikel 7, tweede lid, van de wet. De ster wordt
direct boven het middel gedragen op de linkerzijde van de kleding. De ster en het onder 1
bedoelde onderscheidingsteken worden uitsluitend tezamen gedragen;
3. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint waarachter een balk van
goudgalon is bevestigd. Het geheel is bevestigd op een strik. Het draagteken wordt
gedragen in plaats van de onder 1 en 2 genoemde onderscheidingstekens.
- Grootofficier:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 60 millimeter,
hangende aan het lint, dat door mannen om de hals en door vrouwen opgemaakt in de vorm van
een strik op borsthoogte op de linkerzijde van de kleding wordt gedragen. Het lint voor
mannen is 55 millimeter en voor vrouwen 37 millimeter breed;
2. de ster, bestaande uit het schild, zoals omschreven in onderdeel a, onder 2, bevestigd
op een vierpuntige, uit achtenveertig stralen bestaande zilveren ster met een diameter van
85 millimeter. De ster wordt direct boven het middel gedragen op de linkerzijde van de
kleding. De ster en het onder 1 bedoelde onderscheidingsteken worden uitsluitend tezamen
gedragen;
3. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint, waarachter een balk van
goudgalon aan de ene zijde en een balk van zilvergalon aan de andere zijde is bevestigd.
Het geheel is bevestigd op een strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats van de onder
1 en 2 genoemde onderscheidingstekens.
- Commandeur:
1. het onderscheidingsteken, zoals omschreven in onderdeel b, onder 1;
2. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint, waarachter een balk van
zilvergalon is bevestigd. Het geheel is bevestigd op een strik. Het draagteken wordt
gedragen in plaats van het onder 1 genoemde onderscheidingsteken.
- Officier:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 46 millimeter,
hangende aan het lint, voorzien van een rozet in de kleuren van het lint, dat op
borsthoogte op de linkerzijde van de kleding wordt gedragen. Het lint voor mannen is 37
millimeter en voor vrouwen 27 millimeter breed. Vrouwen dragen het lint opgemaakt in de
vorm van een strik;
2. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint. Het geheel is bevestigd op een
strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats van het onder 1 genoemde
onderscheidingsteken.
- Ridder:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 46 millimeter,
hangende aan het lint, dat op borsthoogte op de linkerzijde van de kleding wordt gedragen.
Het lint voor mannen is 37 millimeter en voor vrouwen 27 millimeter breed. Vrouwen dragen
het lint opgemaakt in de vorm van een strik;
2. het draagteken, zijnde het lint, opgemaakt in de vorm van een strik, waaraan is
toegevoegd een kleine zilveren kroon. Het draagteken wordt gedragen in plaats van het
onder 1 genoemde onderscheidingsteken.
- Lid:
1. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van 35 millimeter,
hangende aan het lint met een breedte van 27 millimeter, dat op borsthoogte op de
linkerzijde van de kleding wordt gedragen. Vrouwen dragen het lint opgemaakt in de vorm
van een strik;
2. het draagteken, zijnde het lint, opgemaakt in de vorm van een strik. Het draagteken
wordt gedragen in plaats van het onder 1 genoemde onderscheidingsteken.
Artikel 8
- De in artikel 7 genoemde versierselen met lint kunnen in een verkleinde vorm worden
gedragen in plaats van de in artikel 7 genoemde onderscheidingstekens.
- Leden van de Orde die een uniform dragen kunnen het draagteken in de vorm van een bāton
van 27 bij 11 millimeter dragen. Indien de graad van Ridder Grootkruis, Grootofficier of
Commandeur is verleend, wordt op de bāton een rozet met daarachter een balk als bedoeld
in artikel 7, respectievelijk onderdeel a, onder 3, onderdeel b, onder 3, en onderdeel c,
onder 2, bevestigd. Indien de graad van Officier, dan wel Ridder is verleend, wordt op de
bāton een rozet respectievelijk een kleine zilveren kroon bevestigd.
HOOFDSTUK III
Procedure
Artikel 9
- Een voorstel tot verlening van een onderscheiding wordt gericht aan de burgemeester van
de woonplaats van de te onderscheiden persoon.
- De burgemeester zendt het voorstel met zijn advies aan de commissaris van de Koning.
- De commissaris van de Koning zendt het voorstel met zijn advies en het advies van de
burgemeester aan het Kapittel voor de civiele orden, genoemd in artikel III van de
rijkswet van 15 april 1994 tot wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende instelling
van de Orde van Oranje-Nassau, en de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de
Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden
(Stb. 1994, 350).
- Het Kapittel zendt het voorstel met zijn advies aan Onze Minister wie het aangaat. Het
Kapittel houdt de stukken die betrekking hebben op de voorbereiding van zijn adviezen ter
beschikking van Onze Minister wie het aangaat.
- Onze Minister wie het aangaat doet de voordracht voor het koninklijk besluit tot
verlening van de onderscheiding. Indien de voordracht meer dan een minister aangaat, wordt
het koninklijk besluit tot verlening van de onderscheiding gezamenlijk voorgedragen.
- Indien Onze Minister wie het aangaat het advies van het Kapittel niet overneemt, legt
deze het voorstel met het advies van het Kapittel voor aan de ministerraad, die over de
voordracht besluit.
- Van elk besluit omtrent een voorstel tot verlening van een onderscheiding wordt door
Onze Minister wie het aangaat opgave gedaan aan het Kapittel.
Artikel 10
- Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een burgemeester wordt gericht aan
de commissaris van de Koning van de provincie waarin de burgemeester woont. De commissaris
zendt het voorstel met zijn advies aan het Kapittel. Artikel 9, vierde tot en met zevende
lid, is van toepassing.
- Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een commissaris van de Koning
wordt gericht aan de burgemeester van de woonplaats van de commissaris. De burgemeester
zendt het voorstel met zijn advies aan het Kapittel. Artikel 9, vierde tot en met zevende
lid, is van toepassing.
Artikel 11
Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een in Nederland verblijvende
buitenlandse diplomaat of buitenlandse militair of een in het buitenland verblijvende
persoon, wordt gericht aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. Deze zendt het voorstel
voor advies aan het Kapittel. Artikel 9, vierde tot en met zevende lid, is van toepassing,
met dien verstande dat in het geval van een buitenlandse militair de voordracht geschiedt
door Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie.
Artikel 12
Onverminderd artikel 9, eerste lid, kan een voorstel tot verlening van een
onderscheiding aan een actief dienende Nederlandse militair aan Onze Minister van Defensie
worden gericht. Onze Minister van Defensie zendt het voorstel aan de burgemeester van de
woonplaats van de betrokken militair. Artikel 9, tweede tot en met zevende lid, is van
toepassing.
Artikel 13
- Een voorstel van de raad van ministers van de Nederlandse Antillen of van Aruba tot
verlening van een onderscheiding wordt, voorzien van een advies van de Gouverneur van
respectievelijk de Nederlandse Antillen of Aruba, gericht aan Onze Minister voor
Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken. Deze zendt het voorstel met het advies van de
desbetreffende Gouverneur voor advies aan het Kapittel. Artikel 9, vierde, vijfde en
zevende lid, is van toepassing.
- Indien Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken het advies van het
Kapittel niet overneemt, legt hij het voorstel met het advies voor aan de
rijksministerraad, die over de voordracht besluit.
- Indien Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken het voorstel niet
overneemt, kan de raad van ministers van de Nederlandse Antillen of van Aruba zijn
voorstel aan de rijksministerraad voorleggen, die over de voordracht besluit.
Artikel 14
- De volgende personen worden geacht aan een of meer van de in artikel 2 genoemde criteria
te voldoen:
- de leden van de Staten-Generaal, van de Staten van de Nederlandse Antillen en
van de Staten van Aruba die ten minste tweemaal zijn herkozen en ten minste tien jaren
zitting hebben gehad;
- de Nederlandse leden van het Europees Parlement die ten minste een maal zijn
herkozen en tenminste tien jaren zitting hebben gehad;
- de leden van de provinciale staten en van de gemeenteraden in Nederland en van
de eilandsraden van de Nederlandse Antillen die ten minste twaalf jaren zitting hebben
gehad;
- de ministers en staatssecretarissen van de landen van het Koninkrijk die hun
ambt ten minste een jaar hebben bekleed.
- Indien personen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, niet voldoen aan de
daarin gestelde vereisten, worden zij geacht aan een of meer van de in artikel 2 genoemde
criteria te voldoen, indien zij ten minste twaalf jaren zitting hebben gehad in twee of
meer verschillende van de in de onderdelen a, b of c genoemde organen.
- Een voordracht tot verlening van een onderscheiding aan een persoon die ingevolge het
eerste lid, onderdeel a, b of c, dan wel het tweede lid, geacht wordt aan een of meer van
de in artikel 2 genoemde criteria te voldoen, wordt niet eerder gedaan dan nadat de te
onderscheiden persoon is afgetreden.
- Een voordracht tot verlening van een onderscheiding aan een minister of staatssecretaris
die ingevolge het eerste lid, onderdeel d, geacht wordt aan een of meer van de in artikel
2 genoemde criteria te voldoen, wordt gedaan door Onze Minister-President. De voordracht
wordt niet eerder gedaan dan nadat de te onderscheiden persoon zijn ambt heeft neergelegd.
Artikel 9, zevende lid, is van toepassing.
- Een voordracht tot verlening van een onderscheiding aan een minister of staatssecretaris
van de Nederlandse Antillen of aan een minister van Aruba die ingevolge het eerste lid,
onderdeel d, geacht wordt aan een of meer van de in artikel 2 genoemde criteria te
voldoen, wordt gedaan door Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken
na overleg met Onze Minister-President van de Nederlandse Antillen, respectievelijk Onze
Minister-President van Aruba. De voordracht wordt niet eerder gedaan dan nadat de te
onderscheiden persoon zijn ambt heeft neergelegd. Artikel 9, zevende lid, is van
toepassing.
Artikel 15
Ten aanzien van de verlening van een onderscheiding bij koninklijk besluit aan een lid
van het koninklijk huis, alsmede aan buitenlandse staatshoofden, is artikel 9, zevende
lid, van toepassing.
Artikel 16
- De uitreiking van de onderscheiding geschiedt door de burgemeester, de commissaris van
de Koning of Onze Minister wie het aangaat.
- Indien de onderscheiding namens de burgemeester, de commissaris van de Koning of Onze
Minister wie het aangaat, wordt uitgereikt, geschiedt dit door een daartoe aangewezen
ambtenaar of door een ander bestuursorgaan, mits het bestuursorgaan daarmee instemt.
- De uitreiking van een onderscheiding geschiedt in de Nederlandse Antillen en in Aruba
door of namens de Gouverneur.
Artikel 17
De verlening van een onderscheiding wordt binnen een maand na verlening gepubliceerd in
de Staatscourant.
Artikel 18
- Bij de onderscheiding behoort een oorkonde die wordt ondertekend door de Kanselier van
de Orde van de Nederlandse Leeuw.
- Modellen van de in de artikelen 4, 5, 7 en 8 beschreven onderscheidingstekens worden
gedeponeerd bij de Kanselier van de Orde van de Nederlandse Leeuw.
HOOFDSTUK IV
Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 19
- De hoofdstukken I en III zijn niet van toepassing op de behandeling van een voorstel tot
verlening van een onderscheiding indien daarmee wordt beoogd een onderscheiding te doen
uitreiken op een tijdstip gelegen voor de uitreiking ter gelegenheid van de dag waarop de
verjaardag van de Koning wordt gevierd in 1996.
- Indien omtrent een voorstel als bedoeld in het eerste lid besloten wordt dat de datum
van uitreiking zal zijn gelegen op of na de uitreiking ter gelegenheid van de dag waarop
de verjaardag van de Koning wordt gevierd in 1996, wordt het voorstel overeenkomstig de
hoofdstukken I en III behandeld.
Artikel 20
De richtlijnen voor het verlenen van Koninklijke onderscheidingen, zoals vastgesteld
door de ministerraad op 27 september 1948, worden ingetrokken, met dien verstande dat deze
van toepassing blijven op voorstellen als bedoeld in artikel 19, eerste lid.
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de
Orde van Oranje-Nassau.
NOTA VAN TOELICHTING1
Algemeen
De wetten op de beide civiele orden (de wet van 29 september 1815, houdende instelling
van de Orde van de Nederlandse Leeuw en de wet van 4 april 1892, houdende instelling van
de Orde van Oranje-Nassau) zijn gewijzigd bij de rijkswet van 15 april 1994 tot wijziging
van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de
wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw,
alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden (Stb. 350).
In de artikelen 14 respectievelijk 13 van de genoemde wetten op de beide civiele orden is
een delegatiebepaling opgenomen tot het stellen van nadere regels met betrekking tot het
verlenen van een onderscheiding en de bij de onderscheiding behorende tekenen.
Deze algemene maatregel van rijksbestuur bevat de nadere regels in de vorm van het
Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau. In beide
gevallen is de verleningsprocedure gelijk. Vanuit een oogpunt van eenvoudige en
doorzichtige regelgeving is het aangewezen om de regelingen voor de beide civiele orden
samen te brengen in dit reglement.
Een concept van het Reglement is eerder aan de Tweede Kamer gezonden tijdens de
behandeling van de hierboven genoemde rijkswet (Kamerstukken II, 1991-1992, 20 668
(R 1354) nr. 9). De Tweede Kamer en de regering zijn tijdens de schriftelijke en
mondelinge behandeling van de rijkswet reeds uitvoerig ingegaan op dit concept.
Het reglement is aangepast aan de tekst van de rijkswet zoals die inmiddels in het
Staatsblad is geplaatst (Stb. 1994, 350). Dit betekent dat de artikelen 3 (onderscheid
verlening graden in het binnenland en het buitenland), 10 (eremedailles) en 21
(eremedailles) van het concept zijn vervallen. Voorts zijn enkele wijzigingen aangebracht
die voortvloeien uit toezeggingen die zijn gedaan tijdens de behandeling van de rijkswet
in de Tweede Kamer. Het betreft de artikelen 2, 10, 11, 12 en 14 die hieronder nader
worden toegelicht. Daarnaast is de procedure voor behandeling van verzoeken tot verlening
van een onderscheiding verder gestroomlijnd. Tenslotte is ook de beschrijving van het
versiersel bij de graad van Lid in de Orde van Oranje-Nassau aangepast.
Het advies van het Kapittel
Het ontwerp-Ordereglement is aan het Kapittel voor advies voorgelegd. Met name werd
gevraagd de verleningscriteria te toetsen aan hun bruikbaarheid voor de democratisering
van het decoratiestelsel. Hieronder wordt voornamelijk op de opmerkingen van het Kapittel
ten aanzien van de verleningscriteria ingegaan. Tevens zullen nog enkele andere punten
zijdelings worden aangestipt.
Naar aanleiding van het advies zijn de artikelen 1 en 2 aangepast en is de toelichting
dienovereenkomstig aangevuld. Niet alle suggesties ten aanzien van de artikelen 1 en 2
zijn overgenomen. Anders dan het Kapittel ben ik van mening dat het criterium in artikel
1, onderdeel c, als afzonderlijk criterium herkenbaar is ten opzichte van de criteria
neergelegd in de onderdelen a en b. In onderdeel a is het onderscheidende criterium dat
betrokkene een verantwoordelijkheid heeft gedragen of een bekwaamheid heeft getoond die
aanmerkelijk groter is dan de samenleving van betrokkene mocht verwachten. In onderdeel b
is het onderscheidende criterium dat iemand op uitstekende wijze zijn werkzaamheden heeft
verricht. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat geen andere maatschappelijke
erkenning heeft plaatsgevonden. In onderdeel c echter gaat het om de prestatie zelf, los
van de vraag welke verwachting de samenleving van betrokkene mocht hebben en los van de
vraag of betrokkene voor zijn werkzaamheden door de samenleving op andere wijze is
beloond. Wel onderschrijf ik de mening van het Kapittel dat het woord `vakbekwaamheid'
minder gelukkig is. De suggestie om dit te wijzigen in `bekwaamheid' heb ik overgenomen.
Het Kapittel was van mening dat in het oorspronkelijke voorstel de onbaatzuchtigheid als
onderscheidend element te weinig tot uitdrukking werd gebracht. Zij stelde daarom voor de
passage `op uitstekende wijze werkzaamheden heeft verricht' te vervangen door `op
uitstekende en/of onbaatzuchtige wijze werkzaamheden heeft verricht'. Het `op
onbaatzuchtige wijze' werkzaamheden verrichten duidt op de instelling waarmee betrokkene
de werkzaamheden heeft verricht en is als zodanig niet waarneembaar. Dat maatschappelijke
waardering is uitgebleven is wel waarneembaar. Het feit dat de maatschappelijke waardering
is uitgebleven kan wel een indicatie zijn dat betrokkene zijn werkzaamheden, die hij op
uitstekende wijze heeft verricht en waarmee de maatschappij in zeer belangrijke mate is
gebaat, met een zekere onbaatzuchtigheid heeft verricht. De opmerking van het Kapittel
heeft mij daarom niet overtuigd.
Het Kapittel stelde voor de term `de samenleving' te vervangen door de woorden `de staat
en maatschappij'. Ik ben van mening dat de staat in dienst staat van de maatschappij. Een
verdienste jegens de staat is derhalve tevens een verdienste jegens de samenleving. Ik heb
deze suggestie daarom niet overgenomen.
Het Kapittel wees op de discussie in de Tweede Kamer met betrekking tot de karaktervolle
en voorbeeldige plichtsvervulling (artikel 2, derde lid). Een dergelijke plichtsvervulling
biedt op zich onvoldoende grond voor onderscheiding. Zij kan weliswaar meetellen als
aanvullend criterium bij de toekenning van een onderscheiding, maar de nadruk dient te
liggen op de bijzondere verdienste zelf. Daarvan is sprake indien betrokkene activiteiten
heeft verricht die in redelijkheid niet van hem konden worden verwacht. Daarom is,
overeenkomstig het voorstel van het Kapittel, in het derde lid van artikel 2 de
karaktervolle en voorbeeldige plichtsvervulling als aanvullend criterium geformuleerd in
plaats van als een op zichzelf staand criterium.
De suggestie van het Kapittel om de zinsnede `of anderen heeft gestimuleerd' in artikel 2,
tweede lid, onder a, van het concept-Reglement te vervangen door de zinsnede `het anderen
tot voorbeeld zijn', heb ik niet overgenomen. Het zijn van een voorbeeld voor anderen is
slechts een van de mogelijkheden om anderen te stimuleren. Men kan ook anderen stimuleren
door hen aan te moedigen of door hen op cruciale momenten bij te staan.
Andere suggesties van meer redactionele aard heb ik grotendeels overgenomen.
Het Kapittel merkte op dat een beschrijving van de militaire opmaak van de
onderscheidingstekens ontbreekt. De wet laat geen delegatie naar ministerieel niveau toe.
Het concludeerde daaruit dat ofwel de militaire opmaak in het reglement moet worden
opgenomen, ofwel moet vervallen. De militaire opmaak valt echter buiten het bereik van
artikel 13 respectievelijk 14 van bedoelde wetten. Het betreft slechts een
kledingvoorschrift, dat op grond van een interne instructie wordt voorgeschreven. Het is
derhalve niet geboden om dit op te nemen in het onderhavige besluit.
Ik onderschrijf de opmerking van het Kapittel dat de tekst van artikel 5, eerste lid, en
artikel 8, eerste lid, niet in overeenstemming is met de werkelijke situatie. Ik heb
daarom de tekst van bedoelde bepalingen zodanig aangepast dat de verkleinde vormen van de
versierselen met lint niet geheel overeenkomstig bedoelde versierselen met lint behoeven
te zijn. Dit is met name gelet op de sjerp en het halslint niet mogelijk. Doordat ook van
deze verkleinde onderscheidingstekens modellen worden gedeponeerd bij de Kanselarij, wordt
voorkomen dat daarvan afwijkende vormen in omloop zullen worden gebracht. De
herkenbaarheid van de onderscheidingstekens is daarmee gewaarborgd. Dit is van belang in
verband met het in artikel 435, onderdeel 1, Wetboek van Strafrecht opgenomen verbod om
onbevoegd Nederlandse ordetekens te dragen.
De suggestie om het woord `Ridder' ook te plaatsen voor de graden Commandeur,
Grootofficier en Officier heb ik niet overgenomen. Voor de graad Grootkruis is het woord
`Ridder' geplaatst, omdat het woord `Grootkruis' niet kan duiden op een persoon. De
woorden `Commandeur, Grootofficier en Officier' duiden wel op een persoon.
De suggestie van het Kapittel om een cumulatiebepaling op te nemen, heb ik overgenomen.
Artikel 14, tweede lid, voorziet daarin. Verwezen zij naar de toelichting bij artikel 14.
Ook heb ik, overeenkomstig het advies van het Kapittel, het vereiste van de opeenvolging
van twaalf jaren lidmaatschap voor provinciale staten, gemeenteraden in Nederland en de
eilandsraden geschrapt, evenals ik dat, overeenkomstig de wens van de Tweede Kamer, deed
ten aanzien van de opeenvolging van tien jaar voor de leden van de Staten-Generaal.
Naar aanleiding van de suggestie van het Kapittel om in de toelichting een passage met
betrekking tot artikel 16 op te nemen, heb ik dit artikel aangepast. Verwezen zij naar het
tweede lid van de desbetreffende bepaling en de toelichting daarop.
Het Kapittel achtte het wenselijk de bevoegdheid van het Kapittel tot het vaststellen en
het verplichte gebruik van een formulier waarop de voorstellen voor verlening van
onderscheidingen dienen te worden gesteld in het reglement neer te leggen. Ik ben van
mening dat een dergelijk voorschrift te ver voert. Ik kan mij voorstellen dat het Kapittel
een dergelijk modelformulier ontwerpt en de gemeenten verzoekt bij het indienen van de
voorstellen tot onderscheiding van dat formulier gebruik te maken. De suggesties van
redactionele aard heb ik grotendeels overgenomen.
Artikelsgewijs
Artikelen 1 en 2
In deze bepalingen zijn opgenomen de criteria op grond waarvan een onderscheiding kan
worden verleend. In artikel 1 betreft het de criteria voor de Orde van de Nederlandse
Leeuw. Hierbij gaat het om verdiensten van zeer exceptionele aard jegens de samenleving.
Criteria voor zodanige zeer exceptionele verdiensten worden in de onderdelen a, b en c van
het tweede lid gegeven. Het kan voorkomen dat bepaalde prestaties onder meerdere criteria
kunnen vallen. In dat geval dient bedacht te worden dat deze criteria accenten aangeven op
grond waarvan de beoordeling plaatsvindt. De praktijk zal uiteindelijk uitwijzen of de
criteria voldoende handvatten bieden voor de democratisering van het decoratiestelsel. Bij
onderdeel a ligt het accent op de uitzonderlijke prestatie op het vakgebied van
betrokkene. Onderdeel b benadrukt de mate waarin de samenleving door de verdiensten is
gebaat, waarbij als aanvullend criterium betrokken kan worden dat de samenleving haar
waardering niet op andere wijze tot uitdrukking heeft gebracht en waaruit een indicatie
van een zekere mate van onbaatzuchtigheid kan worden afgeleid. Hierbij kan gedacht worden
aan het uitblijven van een extra beloning in de sfeer van het inkomen of in de sfeer van
de toekenning van een prijs op het gebied van kunsten en wetenschappen. Onderdeel c ten
slotte benadrukt de bijzondere waarde van de betreffende prestaties zelf voor de
samenleving.
In artikel 2 zijn opgenomen de criteria voor de Orde van Oranje-Nassau. Het
uitgangspunt voor de verlening van een onderscheiding in deze orde zijn de bijzondere
verdiensten van de decorandus. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat enkel de
karaktervolle en voorbeeldige plichtsvervulling voldoende is om te worden onderscheiden in
de Orde van Oranje-Nassau. Het gaat om de bijzondere verdienste. Naar aanleiding van de
discussie in de Tweede AMER en het advies van het Kapittel is artikel 2 zodanig aangepast
dat dit uitgangspunt beter tot uitdrukking komt. Bij de verlening van de onderscheiding
valt nu de nadruk op de bijzonderheid van de verdiensten; het element van de karaktervolle
en voorbeeldige plichtsvervulling komt, als eventueel aanvullend criterium, op de tweede
plaats. Voor nadere toelichting zij verwezen naar de hiervoor terzake gegeven reactie op
het advies van het Kapittel.
Een belangrijke wijziging van het decoratiestelsel is voorts de ontvlechting van de
verschillende graden van de beide civiele orden. Deze vervlechting hield in dat
`bevordering' van iemand die gedecoreerd was in de ene orde in bepaalde gevallen
plaatsvond door een benoeming in de andere orde. Het onderscheid tussen beide orden is
thans zodanig dat de toekenning van beide onderscheidingen afzonderlijk van elkaar dient
te worden bezien op grond van de daarbij behorende eigen criteria. Dit neemt niet weg dat
een persoon - in zeer bijzondere gevallen - in beide orden onderscheiden kan zijn. In dat
geval is er echter geen sprake van een bevordering: de onderscheidingen zijn dan immers op
grond van de verschillende criteria die voor ieder van de orden gelden, verleend. Van een
bevordering kan thans nog slechts sprake zijn bij een benoeming tot een hogere graad in
dezelfde orde.
Artikelen 4 en 7
In deze artikelen zijn beschreven de onderscheidingstekens zoals die thans worden
uitgereikt. In verband met de toevoeging van de nieuwe graad Lid van de Orde van
Oranje-Nassau zijn hieraan toegevoegd de nieuw ontworpen onderscheidingstekens voor deze
graad.
Artikelen 5 en 8
Deze artikelen bieden de mogelijkheid om het versiersel met het lint in
verkleinde vorm te dragen. Tevens kunnen leden van de Orde die een uniform dragen in
plaats van het draagteken een bāton dragen.
Artikel 9
Deze bepaling vormt de kern van de verleningsprocedure. De in dit artikel
opgenomen procedure geldt in beginsel voor alle decoratieverzoeken. Op die wijze wordt ook
de democratisering van het decoratiestelsel tot uitdrukking gebracht. Dit artikel bevat de
verplichting van de burgemeester en de commissaris van de Koning om alle ontvangen
voorstellen met hun adviezen door te zenden aan het Kapittel. Het Kapittel geleidt
vervolgens deze voorstellen met zijn advies door naar de betrokken minister. In
voorkomende gevallen kan de voordracht tot verlening van een onderscheiding ook worden
gedaan door een minister. Artikel 9 wordt dan onverkort toegepast. Indien het
decoratievoorstel meer dan een minister aangaat, kunnen betreffende ministers gezamenlijk
een voordracht tot onderscheiding doen.
Indien de minister wie het aangaat voornemens is het advies van het Kapittel niet over te
nemen, legt hij het voorstel voor aan de ministerraad. De minister voegt daar het advies
van het Kapittel met eventuele minderheidsnota's bij.
Het ligt overigens voor de hand dat, indien de minister het voornemen heeft het advies van
het Kapittel niet op te volgen, hij allereerst overleg pleegt met het Kapittel.
In de gevallen waarin de ministerraad besluit over de voordracht, wordt de voordracht
vervolgens gedaan door de minister of de ministers wie het aangaat. Het Kapittel wordt
door de minister ingelicht over het besluit omtrent het voorstel tot verlening van een
onderscheiding. Het gaat dan zowel om besluiten om een onderscheiding te verlenen als om
besluiten om geen onderscheiding toe te kennen.
Artikel 10
In het tweede lid van dit artikel komt het primaat van de burgemeester in de
verleningsprocedure duidelijk tot uitdrukking. Slechts de functionaris die wordt
voorgedragen voor een onderscheiding, de commissaris van de Koning, wordt - uiteraard -
niet om advies gevraagd. Voor het overige wordt de normale procedure gevolgd.
Artikel 11
In dit artikel is de procedure aangegeven voor de behandeling van verzoeken tot
decoratie van in Nederland verblijvende buitenlandse personen. Hieronder vallen ook
buitenlandse diplomaten en buitenlanders die een rol vervullen bij staatsbezoeken. Ten
aanzien van deze personen dient bij de voordracht tot onderscheiding ook rekening te
worden gehouden met het reciprociteitsbeginsel. Opgemerkt zij dat in eerste instantie een
voorstel tot verlening van een onderscheiding aan bedoelde personen aan de Minister van
Buitenlandse Zaken wordt gericht en dat de Minister van Buitenlandse Zaken de voordracht
voor het koninklijk besluit tot verlening van de onderscheiding doet. Het Kapittel
adviseert. Bij zijn advisering zal het rekening houden met het reciprociteitsbeginsel.
Indien de Minister van Buitenlandse Zaken afwijkt van het advies van het Kapittel, wordt
het voorstel met het advies van het Kapittel aan de Ministerraad voorgelegd. Voor de
overige buitenlanders die in Nederland verblijven, wordt de procedure van artikel 9
gevolgd.
De procedure van artikel 11 is zowel van toepassing op in het buitenland verblijvende
personen die de Nederlandse nationaliteit hebben als op zodanige personen die een andere
nationaliteit hebben.
Artikel 12
In dit artikel is een regeling opgenomen voor met name Nederlandse militairen die
in het buitenland verblijven en die wel hun formele woonplaats in Nederland hebben.
Verzoeken tot verlening van een onderscheiding aan in Nederland verblijvende Nederlandse
militairen zullen overigens, evenals die voor alle andere ingezetenen, steeds via de
burgemeester lopen.
Voor buitenlandse militairen en Nederlandse militairen in het buitenland is de procedure
van artikel 11 van toepassing. In deze gevallen raadpleegt de Minister van Buitenlandse
Zaken zijn ambtgenoot van Defensie.
Artikel 13
In dit artikel is opgenomen de procedure voor de verlening van onderscheidingen
in de Nederlandse Antillen en in Aruba. Het voorstel van de raad van ministers van de
Nederlandse Antillen of Aruba zal worden voorzien van een advies van de desbetreffende
Gouverneur, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van het Koninkrijk, alvorens het
voor advies aan het Kapittel wordt gezonden.
Het Kapittel zendt het advies vervolgens aan Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en
Arubaanse Zaken. Ook hier zal, op soortgelijke wijze als voor de procedure van artikel 9
geldt, de minister die het voornemen heeft het advies van het Kapittel niet over te nemen,
de zaak ter beslissing aan de rijksministerraad moeten voorleggen. Evenals bij de
procedure van artikel 9 is opgemerkt, geldt ook hier dat het voor de hand ligt dat de
minister eerst overleg pleegt met het Kapittel alvorens de rijksministerraad om een
beslissing te vragen.
In het derde lid is aangegeven dat ook de ministerraad van de Nederlandse Antillen of van
Aruba indien zijn voorstel niet wordt overgenomen, een beslissing daaromtrent kan vragen
aan de rijksministerraad.
Artikel 14
Nota van toelichting bij het Besluit van 10 mei 1995
Ten opzichte van het concept dat aan de Tweede Kamer is voorgelegd, zijn in dit artikel
enkele wijzigingen aangebracht.
De eerste betreft de toevoeging van de Nederlandse leden van het Europees Parlement in het
eerste lid, onder b. Daarbij is niet de nationaliteit bepalend maar het feit dat deze
leden deel uitmaken van het aantal leden van het Europees Parlement dat de Europese
verdragen aan Nederland toekennen. In verband met het feit dat het Europees Parlement niet
ontbonden kan worden en een zittingsduur van vijf jaar heeft, is gekozen voor een regeling
waarbij de leden eenmaal zijn herkozen en tien jaar zitting hebben gehad.
De tweede wijziging betreft de schrapping van het vereiste van de opeenvolging van tien
respectievelijk 12 jaren lidmaatschap van een parlement, respectievelijk provinciale
staten, een gemeenteraad in Nederland en een eilandsraad van de Nederlandse Antillen. De
periode van tien respectievelijk 12 jaar behoeft niet aaneensluitend te zijn, maar kan
worden onderbroken.
Tenslotte is in het tweede lid een cumulatiebepaling opgenomen. Met deze bepaling komen
ook personen die bijvoorbeeld tien jaar zitting hebben gehad in een gemeenteraad en
vervolgens twee jaar in de Tweede Kamer van rechtswege in aanmerking voor een
onderscheiding in de Orde van Oranje-Nassau. Zonder deze bepaling zouden zij niet aan de
in de onderdelen a, b of c van het eerste lid neergelegde criteria voldoen en derhalve
niet van rechtswege voor de onderscheiding in aanmerking komen.
Wat betreft de verlening van een onderscheiding aan ministers en staatssecretarissen op
grond van deze bepaling wordt er vanuit gegaan dat de minister-president de voordracht
doet voor de ministers en staatssecretarissen die deel uitmaakten van het voorgaande
kabinet. Voor het verlenen van onderscheidingen aan ministers en staatssecretarissen kort
na hun aftreden, is om praktische redenen gekozen voor deze afwijkende procedure.
Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit van 5 februari 1996
Artikel I, onderdeel D, eerste lid, voorziet erin dat volksvertegenwoordigers pas na
aftreden voor een onderscheiding worden voorgedragen. Dit sluit beter aan op hetgeen reeds
praktijk is voor ministers en staatssecretarissen en bepaald is in het vierde en vijfde
lid van artikel 14.
Opgemerkt zij dat indien een volksvertegenwoordiger op grond van het tweede lid van
artikel 14 (de cumulatiebepaling) in aanmerking komt voor een onderscheiding, de
voordracht wordt gedaan nadat hij is afgetreden als lid van het laatste orgaan waarin hij
zitting heeft gehad.
Nu ten aanzien van het tijdstip van de voordracht voor een onderscheiding van
volksvertegenwoordigers aangesloten wordt bij het tijdstip van de voordracht van
bewindspersonen ligt het in de rede de betreffende bepalingen zoveel mogelijk op elkaar af
te stemmen. Daarbij is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt de bepalingen die beogen
de reeds bestaande praktijk met betrekking tot de voordracht van ministers en
staatssecretarissen van de landen van het Koninkrijk te handhaven, te verduidelijken.
Artikel 16
Het tweede lid bepaalt dat, indien de uitreiking van een onderscheiding namens de
burgemeester, commissaris van de Koning, of Onze Minister die het aangaat, geschiedt, deze
dient te worden uitgereikt door een door de burgemeester, commissaris van de Koning of de
minister aangewezen ambtenaar of wel door een ander bestuursorgaan, dat daarmee instemt.
Dit kan ook een bestuurder van een ander overheidslichaam, zoals een waterschap zijn. Deze
bepaling is opgenomen teneinde uit te sluiten dat onderscheidingen door particulieren
worden uitgereikt.
Artikel 18
Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit van 5 februari 1996
In artikel 18 van het Reglement wordt gesproken van de Kanselier der Nederlandse Orden. In
de rijkswet wordt gesproken van de Kanselier van de Orde van de Nederlandse Leeuw. In
artikel I, onderdeel E, van onderhavig besluit wordt de tekst van het Reglement in
overeenstemming gebracht met de tekst van de rijkswet (artikel II, onderdeel E, van de
rijkswet).
Artikel 19
Dit artikel voorziet in een overgangsregeling. De datum van uitreiking is
bepalend voor de vraag of de onderscheiding conform het oude of het nieuwe stelsel wordt
uitgereikt en niet de datum waarop het decoratievoorstel in procedure wordt gebracht.
Daarbij is aangesloten bij de Algemene Gelegenheid van 1996. Bij de Algemene Gelegenheid
worden ter gelegenheid van de viering van de verjaardag van de Koning onderscheidingen
uitgereikt.
Indien met het decoratievoorstel wordt beoogd de onderscheiding vóór de Algemene
Gelegenheid 1996 uit te reiken, dient in principe de oude procedure te worden gevolgd en
zijn de oude criteria van toepassing. Wordt beoogd de uitreiking te doen plaatsvinden bij
of na de Algemene Gelegenheid in 1996, dan is het nieuwe stelsel van toepassing.
Het kan voorkomen dat in eerste instantie beoogd wordt de onderscheiding te doen
plaatsvinden op een tijdstip gelegen voor de Algemene Gelegenheid van 1996, maar dat bij
nader inzien de uitreiking toch op of na dat tijdstip zal plaatsvinden. Alsdan zal alsnog
het nieuwe stelsel van toepassing zijn.
Artikel 21
Bij amendement is in de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van
Oranje-Nassau en de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de
Nederlandse Leeuw (Stb. 1994, 352) een bepaling opgenomen teneinde de onderhavige regeling
te laten voorhangen. Dit besluit treedt daarom niet eerder in werking dan twee maanden na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Van plaatsing in het
Staatsblad worden de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld op de hoogte gebracht.
1) Van het wijzigingsbesluit van 5 februari 1996, Stb. 89, zijn alleen
de relevante delen van de nota van toelichting opgenomen. Daarbij is aangegeven dat deze
passages afkomstig zijn uit het wijzigingsbesluit. |
|
|
|