kroontje
Uitleg - Contact - Sitemap - Downloads - Publicaties - Veel gestelde vragen
Koninklijke Onderscheiding
pijltjeHome pijltjeMilitaire Willems-Orde en Kapittel der Militaire Willems-Orde
Ordereglement
Reglement op de Militaire Willems-Orde

HOOFDSTUK 1
Voordrachten, aanvragen en verklaringen

Artikel 2

Benoeming en bevordering in de Orde kan geschieden:

  1. Op voordracht van de chef, onder wie de betrokken persoon dient of gediend heeft, of van een hogere autoriteit;
  2. Op aanvraag van de persoon, die meent zich in de strijd door een of meer uitstekende daden van moed, beleid en trouw te hebben onderscheiden.

Artikel 3

  1. Alle voordrachten worden langs de hiërarchische weg gezonden aan het betrokken Departement van algemeen bestuur en Ons door het hoofd van dat Departement aangeboden.
     
  2. In de Nederlandse Antillen en Aruba geschiedt deze inzending der voordrachten mede door tussenkomst van de Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.

Artikel 4

vervalt

Artikel 5

Bij de aanvraag moet de aanvrager een volledige en duidelijke beschrijving overleggen van de uitstekende daad waarop hij zijn aanvraag steunt; van het onderdeel der krijgsmacht waarbij, van het tijdstip waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder hij de daad verrichtte, van de namen van zo mogelijk niet minder dan drie personen die daarbij tegenwoordig waren en die de juistheid van hetgeen de aanvrager opgeeft kunnen bevestigen.

Artikel 6

Aan aanvragen om tot lid van de Orde te worden benoemd of daarin te worden bevorderd, gedaan op grond van daden, welke vijf jaren of meer te voren zouden zijn bedreven, wordt geen gevolg gegeven.

Artikel 7

  1. Alle chefs en autoriteiten, die langs de hiërarchische weg een voordracht of een aanvraag ter behandeling ontvangen, zijn verplicht bij doorzending te doen blijken, of en waarom zij al dan niet met de voordracht of de aanvraag instemmen.
     
  2. Zij zijn eveneens verplicht hem, die het lidmaatschap der Orde aanvraagt, dan wel verzoek daarin te worden bevorderd, voor zoveel nodig en met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, bij te staan in het bijeenbrengen van de gegevens, verklaringen enz., waardoor kan worden bewezen, dat de uitstekende daad door de aanvrager is bedreven.

Artikel 8

  1. Iedere chef, die een uitstekende daad als in de Wet bedoeld door een va zijn ondergeschikten heeft zien bedrijven, is verplicht daarvan mededeling te doen aan de boven hem gestelde chef of autoriteit onder bijvoeging van een beschrijving van de daad met vermelding van de tijd, plaats en omstandigheden en van schriftelijke verklaringen van zo mogelijk niet minder dan drie personen, die getuigen waren van de daad.
     
  2. Op gelijke wijze zal worden gehandeld, wanneer op andere wijze te zijner kennis is gekomen, dat door een van zijn ondergeschikten zulk een daad is bedreven.

Artikel 9

De in artikel 8 bedoelde stukken zullen zo duidelijk en volledig mogelijk moeten zijn, opdat de uitstekende daad daarmee kan worden bewezen.

Artikel 10

  1. De militairen, die getuigen waren van de vermeende uitstekende daad, zijn op vordering van hun chef verplicht schriftelijk een beschrijving te geven van hetgeen zij hebben gezien. Dit stuk wordt, als de getuige officier is, door deze ondertekend, nadat hij daarop een verklaring heeft gesteld, dat het naar waarheid is opgemaakt. Het wordt vervolgens door de chef voor gezien getekend.
     
  2. Heeft de getuige niet de rang van officier, dan wordt het stuk door de chef in handen gesteld van twee door hem aan te wijzen officieren, die de getuige het geschrevene voorlezen en hem daarbij wijzen op eventueel in de verklaring voorkomende onduidelijkheden, welke door de getuige, zo hij dit verlangt, worden verbeterd. Bevat het stuk daarna alles wat de getuige geheel naar waarheid kan verklaren, dan wordt dit in zijn tegenwoordigheid door de officieren op het stuk vermeld, waarna het door de getuige met zijn handtekening wordt bekrachtigd. De twee officieren stellen en ondertekenen op het stuk de verklaring, dat de getuige in hun tegenwoordigheid zijn handtekening heeft geplaatst, na hun desgevraagd te hebben verzekerd, dat hij in het door hem opgestelde stuk zo volledig mogelijk en naar waarheid heeft getuigd.

Artikel 11

  1. Kan een getuige niet schrijven, dan wordt zijn verklaring zoveel doenlijk met zijn eigen woorden opgeschreven door een der officieren in artikel 10 (2) bedoeld.
     
  2. Overigens wordt in acht genomen het bepaalde in genoemd artikel, met dien verstande, dat door de getuige in plaats van een handtekening een door de officieren gewaarmerkt handmerk wordt gesteld.

Artikel 12

Als geen voldoende aantal officieren als in de artikelen 10 en 11 bedoeld beschikbaar is, kunnen de ontbrekenden door militairen van hogere rang of meerdere ouderdom in rang dan de getuige worden vervangen, waartoe uit de beschikbare de hoogsten in rang worden aangewezen.

Artikel 13

Niet-militairen worden als getuigen toegelaten, als zij bereid zijn verklaringen af te leggen als in artikel 10 of 11 bedoeld.

Artikel 14

Indien de verklaringen van getuigen als in de artikelen 10, 11 of 13 bedoeld ontbreken, wordt een voordracht of aanvraag niettemin in behandeling genomen, indien de uitstekende daar op andere wijze voldoende kan worden bewezen.

 

HOOFDSTUK II
Het Kapittel

Artikel 15

  1. Het Kapittel bestaat uit zeven leden in drie plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd op gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister belast met de zorg voor de ridderorden en van Onze Minister van Defensie.
     
  2. Voor benoeming komen in aanmerking gewezen militairen van de zeemacht, de landmacht hier te lande, terwijl zo mogelijk elk dezer delen der weermacht zal worden vertegenwoordigd. Zo nodig kunnen ook nog in dienst zijnde militairen tot lid of plaatsvervangend lid van het Kapittel worden benoemd.
     
  3. De leden en plaatsvervangende leden genieten als zodanig geen bezoldiging of vacatiegelden.
     
  4. Waar in de volgende artikelen wordt gesproken van "lid" of "leden" wordt daaronder mede begrepen "plaatsvervangend lid" en "plaatsvervangende leden".

Artikel 16

De leden nemen zitting in volgorde van hun benoeming tot lid van het Kapittel. Bij gelijke benoeming beslist de volgorde waarin hun namen in het desbetreffende besluit zijn vermeld.

Artikel 17

Bij ontstentenis of afwezigheid van de Kanselier wordt hij als voorzitter vervangen door een door hem aan te wijzen lid van het Kapittel.

Artikel 18

  1. Wanneer een lid de volle ouderdom van vijf en zeventig jaren heeft bereikt, wordt hem met ingang van de daaropvolgende maand als zodanig door Ons, op voordracht van Onze Minister van Defensie, ontslag verleend.
     
  2. Vóór dat tijdstip kan een lid door Ons op gelijke voordracht worden ontslagen, hetzij op eigen verzoek, dan wel indien daartoe door Ons, het Kapittel gehoord, redenen aanwezig worden bevonden.

Artikel 19

  1. Het Kapittel is te 's-Gravenhage gevestigd.
     
  2. In buitengewone omstandigheden wijzen Wij voor het Kapittel zo nodig een andere standplaats aan.

Artikel 20

  1. Het Kapittel wordt door de Kanselier bijeengeroepen telkenmale wanneer hij dit nodig oordeelt.
     
  2. De stukken en bescheiden, betrekking hebbende op de in de bijeenkomst te behandelen onderwerpen, moeten indien enigszins mogelijk te voren bij de leden hebben gecirculeerd.

Artikel 21

  1. Adviezen, voorstellen of beslissingen van het Kapittel worden gegeven, gedaan of genomen bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter. Een stemming is alleen geldig als ten minste vijf leden, de voorzitter hieronder begrepen, daaraan hebben deelgenomen. In de bijeenkomst aanwezige leden zijn verplicht aan de stemming deel te nemen. Blanco-stemmen is niet toegelaten.
     
  2. De leden, die zich niet hebben verenigd met het gevoelen der meerderheid, hebben de bevoegdheid in een bij het advies of het voorstel van het Kapittel over te leggen nota hun afwijkende mening toe te lichten.

Artikel 22

Het Kapittel brengt aan het hoofd van het betrokken Departement van Algemeen Bestuur advies uit over de voordrachten voor benoeming of bevordering in en ontslag uit de Orde, over de aanvragen om in de Orde te worden opgenomen en bevorderd, zomede de in het reglement genoemde gevallen.

Artikel 23

  1. De bestaande tekst wordt tot eerste lid genummerd en daarin wordt de zinsnede "alle voorstellen aan te bieden" vervangen door: "alle inlichtingen te verstrekken".
     
  2. 2. Aan het artikel wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:
    "2. Het Kapittel verstrekt desgevraagd aan het Hoofd van het betrokken Departement van algemeen bestuur de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Het Hoofd van het betrokken Departement van algemeen bestuur kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is."

Artikel 24

  1. Het Kapittel doet onder zijn toezicht registers aanhouden van elk der vier klassen van ridders, bevattende voor elke ridder: naam en voornamen, datum en plaats van geboorte, beknopte staat van dient, datum en nummer van Ons besluit van benoeming en van bevordering in de Orde, beknopte vermelding van de uitstekende daad (daden), waarvoor de benoeming of bevordering geschiedde, zomede eventueel datum van schorsing van de bevoegdheid van het ordeteken of van ontslag uit de Orde. Van overlijden van een ridder wordt in de registers aantekening gehouden.
     
  2. Het Kapittel doet eveneens aantekening houden van Onze besluiten, waarbij aan enig onderdeel der weermacht het ordeteken is verleend, met beknopte vermelding van de uitstekende daad (daden), waardoor het zich heeft onderscheiden.

 

HOOFDSTUK III
Benoeming en bevordering in de Orde

Artikel 25

  1. De toekenning van het lidmaatschap der Orde geschiedt als regel door benoeming van de betrokkene tot ridder der 4e klasse.
     
  2. Is de verrichte daad evenwel van zo buitengewone en uitstekende aard, dat hem billijkerwijs een hogere beloning in de Orde toekomt, dan zal benoeming tot een hogere klasse kunnen geschieden.

Artikel 26

Een ridder der Orde, die opnieuw in de strijd een uitstekende daad van moed, beleid en trouw heeft verricht, kan bij Ons voor bevordering in de Orde in aanmerking worden gebracht.

Artikel 27

Door Ons kan worden bepaald, dat de naam van hem, die tijdens het verrichten van een uitstekende daad van moed, beleid en trouw, waarvoor hij tot een benoeming of bevordering in de Orde in aanmerking zou zijn gekomen, sneuvelde of, voordat Onze beslissing aangaande zijn benoeming of bevordering was genomen, is overleden, in de in artikel 24 bedoelde registers zal worden ingeschreven.

Artikel 28

Van Onze besluiten tot benoeming of bevordering in de Orde, alsmede van die, genoemd in de artikelen 24 (2) en 27, wordt, met beknopte vermelding van de uitstekende daad, waarvoor de onderscheiding of vergunning is verleend, mededeling gedaan in de Staatscourant. Gelijke mededeling geschiedt bij afzonderlijke dagorder aan de weermacht, zowel hier te lande als in de Nederlandse Antillen en Aruba.

 

HOOFDSTUK IV
Het uitreiken en het dragen van het Ordeteken

Artikel 29

Tijdig voordat aan een benoemde ridder het Ordeteken zal worden uitgereikt zendt het betrokken Departement van Algemeen Bestuur hem een exemplaar van de Wet en van dit reglement.

Artikel 30

  1. Het uitreiken van het ordeteken aan militairen gebeurt in aanwezigheid van de troepen of de scheepsbemanning, op de volgende wijze:
    1. de autoriteit die met de uitreiking belast is, memoreert de uitstekende daad (of daden), waarvoor de onderscheiding wordt toegekend;
    2. de ban wordt geopend* en het koninklijk besluit van de benoeming wordt voorgelezen;
    3. de benoemde ridder - als deze Nederlands onderdaan is - wordt de eed (belofte) afgenomen;
    4. het ordeteken wordt de benoemde (of bevorderde) ridder op de borst gespeld c.q. omgehangen;
    5. de benoemde ridder ontvangt de accolade** van de ridders;
    6. de ban wordt gesloten*;
    7. de autoriteit die de uitreiking verricht, spreekt de ridder toe en vervolgens de aanwezige troepen (of scheepsbemanning);
    8. de troepen defileren voor de benoemde (of bevorderde) ridder. Aan boord van een schip wordt door de bemanning gedefileerd, voor zover de ruimte dit toelaat.

      Tijdens de handelingen genoemd onder d. en e. klinkt het Wilhelmus.
       
  2. Voorts wordt bij de in het 1e lid genoemde plechtigheid in acht genomen hetgeen daaromtrent door Ons of door de Gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba in de voorschriften en reglementen voor de onderscheiden delen van de weermacht is of zal worden vastgesteld.
     
  3. Indien door bijzondere omstandigheden de uitreiking van het ordeteken op de in de beide voorgaande leden omschreven wijze niet kan plaats hebben, zal de in het 1e lid onder a genoemde autoriteit op de uitreiking orde stellen, daarbij in acht nemende, dat zulks op plechtige wijze behoort te geschieden.

Artikel 31

Het uitreiken van het ordeteken aan niet-militairen - Nederlandse onderdanen - alsmede aan vreemdelingen geschiedt op de wijze, zoals door Ons of door Onze betrokken Ministers voor elk geval zal worden bepaald.

Artikel 32

Het uitreiken van de onderscheiding, bedoeld in artikel 14 der Wet, geschiedt door de hoogste militaire gezaghebbende van zee- of landmacht, onder wiens bevelen het betrokken onderdeel der weermacht is gesteld, of bij zijn verhindering door zijn vertegenwoordiger. Artikel 30 (2) is hierbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

Wij behouden Ons voor het Ordeteken aan een benoemde of een bevorderde ridder, alsmede een onderscheiding als in artikel 14 der Wet bedoeld, persoonlijk uit te reiken. In die gevallen zal het bij de plechtigheid te volgen ceremonieel telkenmale door Ons worden vastgesteld.

Artikel 34

Het, door de zorg van de Kanselier der Orde opgemaakte, ridder-diploma wordt de benoemde of bevorderde ridder kosteloos verstrekt, na de uitreiking van het Ordeteken, indien het hem bij die gelegenheid niet is overhandigd.

Artikel 35

De ridder der Orde is verplicht het model ordeteken te dragen:

  1. militair zijnde: bij groot en ceremonieel tenue, alsmede bij parades;
  2. niet militair zijnde: bij het bijwonen van plechtigheden of feestelijkheden, welke een openbaar karakter dragen;
  3. in de gevallen genoemd in de artikelen 38, 39, 40 en 41.

 

HOOFDSTUK V
Eerbewijzen

Artikel 36

Aan militairen, ridders der Orde, wordt, wanneer zij het model ordeteken zichtbaar dragen, de militaire groet gebracht door hun niet met dit ordeteken gedecoreerde rang- of standgenoten.

Artikel 37

Schildwachten geven aan een ridder der Orde, indien deze het model ordeteken zichtbaar draagt, hetzelfde eerbewijs als aan een officier.

Artikel 38

Indien door enig onderdeel der weermacht aan Ons of aan Leden van Ons Huis erewachten worden gegeven, zullen daarvoor in de eerste plaats worden aangewezen de tot dat onderdeel behorende militaire ridders der Orde.

Artikel 39

Wanneer ridders der Orde in hun kwaliteit door Ons worden uitgenodigd tot bijwoning van openbare plechtigheden, waarbij Wij tegenwoordig zullen zijn of waarbij Wij Ons doen vertegenwoordigen, zal hun van Onzentwege worden medegedeeld, welke bijzondere plaats zij tijdens de plechtigheden hebben in te nemen.

Artikel 40

  1. Indien een ridder der Orde in militaire dienst overlijdt en met militaire eerbewijzen wordt begraven, zal bij de teraardebestelling het ceremonieel gevolgd worden, vastgesteld voor de begrafenis van een militair van de naast hogere rang dan de overledene bekleedde. Het militaire escorte zal zo mogelijk bestaan uit afdelingen van de troepen, waarbij de overleden heeft gediend en met welke hij de wapenfeiten verrichtte, die tot verlening van de ridderorde aanleiding hebben gegeven. De vier slippen van het lijkkleed zullen, zo mogelijk, worden gedragen door ridders der Orde. Het ordeteken van de overledene zal op het lijkkleed worden gehecht. De ridders in militaire dienst, aanwezig ter plaatste van de begrafenis, zullen in de lijkstoet volgen.
     
  2. Tot de overige ter plaatse wonende ridders der Orde zal door de autoriteit, die met de regeling der begrafenis is belast, de algemene uitnodiging worden gericht mede in de lijkstoet te volgen.

Artikel 41

Het in artikel 40 bepaalde geldt ook voor de begrafenis van een ridder der Orde, die bij zijn overlijden niet meer in militaire dienst was, indien de begrafenis in een garnizoensplaats of marine-standplaats geschiedt en de nabestaanden of betrekkingen hebben verzocht de teraardebestelling met militaire eerbewijzen te doen plaats hebben.

HOOFDSTUK VI
Uitbetaling der Toelagen

Artikel 42

  1. In Nederland heeft de uitbetaling der toelagen, bedoeld in artikel 9 der Wet, kwartaalsgewijs plaats vanwege het betrokken Departement van algemeen bestuur.
     
  2. In de Nederlandse Antillen en Aruba geschiedt de uitbetaling naar door de Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel te stellen regelen.

HOOFDSTUK VII
Schorsing van de Bevoegdheid tot het Dragen van het Ordeteken en Ontslag uit de Orde

Artikel 43

  1. Indien tegen een ridder der Orde een strafvervolging is ingesteld wegens enig misdrijf of wegens een overtreding, als gevolg waarvan de bijkomende straf van plaatsing in een Rijksinrichting kan worden opgelegd, geeft de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het betrokken gerecht daarvan kennis: in Nederland aan de Voorzitter van het Kapittel der Orde en in de Nederlandse Antillen en Aruba - door tussenkomst van de Procureur-Generaal aldaar - aan de Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.

2 en 3 vervallen.

Artikel 44

  1. Van elke onherroepelijke veroordeling van een ridder der Orde wegens enig misdrijf of wegens een overtreding, waarbij de bijkomende straf van plaatsing in een Rijksinrichting is uitgesproken, geeft de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het betrokken gerecht daarvan kennis: in Nederland aan de Voorzitter van het Kapittel der Orde en in de Nederlandse Antillen en Aruba - door tussenkomst van de Procureur-Generaal aldaar - aan de Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.

2 t/m 5 vervallen.

Artikel 45

vervalt

HOOFDSTUK VIII
Verstrekking van het Ordeteken; Vaststelling en Bewaring van Standmodellen

Artikel 46

Bij benoeming of bevordering in de Orde dan wel bij toekenning van het ordeteken aan enig onderdeel der weermacht wordt het ordeteken op Rijkskosten door de Kanselier der Nederlandse Orden verstrekt. Bij bevordering in of ontslag uit de Orde wordt het ordeteken, waarop het recht tot dragen is vervallen, aan genoemde Kanselier teruggezonden.

Artikel 47

De in artikel 7 (1) der Wet omschreven onderscheidingstekenen voor de leden der Orde zijn overeenkomstig de bij dit besluit behorende standmodellen, welke zullen worden bewaard ter Kanselarij der Nederlandse Orden.

SLOTBEPALING

Indien bepalingen van dit reglement uit hoofde van bijzondere omstandigheden in de Nederlandse Antillen en Aruba niet kunnen worden toegepast, is de Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel bevoegd zodanige voorschriften uit te vaardigen als hij nodig oordeelt, mits de algemene strekking van die voorschriften met dit reglement in overeenstemming is.


Vaandelgroep van eenheden met MWO
foto Studio Richard