|
Er zijn vier bijzondere procedures:
- Voordrachten voor het verlenen van onderscheidingen aan oud-ministers en
oud-staatssecretarissen doet de minister-president. Daarover worden geen adviezen
ingewonnen. De minister-president zendt een voordracht tot verlening van een
onderscheiding aan H.M. de Koningin.
- Voordrachten voor het verlenen van onderscheidingen aan oud-ministers en
oud-staatssecretarissen van de Nederlandse Antillen of aan oud-ministers van Aruba worden
gedaan door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, na overleg met de
ministers-presidenten van de betreffende gebiedsdelen. Ook hierover worden geen adviezen
ingewonnen.
- Een beslissing tot de verlening van een onderscheiding aan
een lid van het Koninklijk Huis of aan een buitenlands staatshoofd
wordt genomen door H.M. de Koningin. De minister-president
is verantwoordelijk voor de verlening van een onderscheiding
aan een lid van het Koninklijk Huis. De minister van Buitenlandse
Zaken is verantwoordelijk voor het onderscheiden van een buitenlands
staathoofd.
- In het kader van staatsbezoeken worden onderscheidingen verleend aan personen die
daarbij betrokken zijn. Deze verleningen hebben een ceremoniële functie. Over de
voorstellen daarvoor wordt eerst het advies van het Kapittel voor de Civiele Orden
ingewonnen, behalve wanneer het een buitenlands staatshoofd betreft. Het Kapittel toetst
of de verlening van onderscheidingen plaatsvindt op basis van wederkerigheid; het
zogenoemde reciprociteitsbeginsel. De minister van Buitenlandse Zaken beslist uiteindelijk
over de voordracht.
|
|
|
|
|